Stiften – Kalkoenen – Proppen

Glijpartijen in de cross, daar zit niemand op te wachten. Daarom draai je bij ijzers van die blokjes of puntjes in. Noppen, als in voetbalschoenen. Maar hoe zit dat nou precies? Wanneer gebruik je nu welke? Dat hangt van een heleboel verschillende dingen af, en is niet zomaar in een tabel te vangen. Daarom in dit artikel wat handvatten om een weloverwogen keuze te kunnen maken.

We lopen allemaal de cross van tevoren (toch?) en kijken naast naar de hindernissen ook hoe de bodem is. Want de bodem kan je vertellen welke stiften je kunt gebruiken. Hoeveel gras of bladeren liggen er op de bodem voordat je bij de echte grond bent? Is het mooie losse zwarte grond of harde klei? Hoe nat is de grond? Probeer zelf eens een stift (of iets soortgelijks) in de grond te drukken en kijk hoe makkelijk of moeilijk dat gaat. Ook het gewicht van je paard en de manier van lopen zijn van invloed. Een zwaar paard kan meer (grotere stiften) hebben dan een lichte pony. En een handig paardje heeft minder nodig dan zijn wat onhandige stalgenoot. Je kunt dus niet zomaar hetzelfde gebruiken als de buurman.

Het allerbelangrijkste is dat je paard in staat moet zijn de stiften in de bodem te drukken. Lange of dikke stiften op een harde bodem zijn een “no go”.  En hetzelfde geldt voor het weer optillen van het been. Als de stift moeilijk de grond uit komt geeft dat een zware belasting op de pezen en dus kans op blessures. Ook is met lange stiften de kans groter dat je paard zichzelf raakt en verwondt. Zo kort als mogelijk dus.

Dan de vorm. Stiften zijn er in heel veel vormen, en er komen telkens nog weer nieuwe bij. Maar grofweg zou je ze kunnen verdelen in “blokjes” met een stompe onderkant, en “puntjes” die meer of minder in een punt eindigen. Het voordeel van puntjes is dat ze makkelijker de grond in gaan. Maar puntje moeten weer iets langer zijn om dezelfde grip te geven. Het grootste nadeel van puntjes is vooral dat ze ook makkelijker in iets anders gaan, de buik of het been ernaast bijvoorbeeld. Daarom draaien sommigen aan de binnenkant een blok, en de buitenkant een punt. Daarmee verlies je een hoop van de voordelen, maar soms kun je niet anders. 

Wat je in elk geval niet wil is dat de stiften in één hoef teveel verschillen. Dan is de belasting op het been altijd scheef, zeker als je ook een stukje over straat of een harde bodem moet.  Achter een andere hoogte dan voor is geen probleem, maar liever niet voor hoger dan achter. Het voorbeen moet immers snel weg zijn, want het achterbeen komt er hard achteraan.

In de praktijk zal lang niet altijd de hele cross over eenzelfde bodem lopen. Als de hele cross op een losse zandbodem is, maar er zit een harde wegovergang in, dan kun je beter daar even wat rustiger aan doen dan je stiften erop aan te passen. Daar heb immers dan de hele cross last van. In de afzet en landing zal de bodem ook losser zijn, zeker als je aan het einde van je klasse bent. Ook de bodem van de waterbak is meestal van ander materiaal (dus goed bekijken). Allemaal zaken om in je keuze mee te nemen.

Tot slot nog wat praktische tips. Stiften die voorzien zijn van een geharde kern of punt (ook wel widia puntje genoemd) slijten minder hard. Hetzelfde kan hetzelfde gezegd worden van roestvrij stalen stiften (tenzij je ze altijd direct weer netje schoon en droog maakt). Tegenwoordig zie je vaak een kanaaltje in de schroefdraad, wat het indraaien een stuk gemakkelijker maakt. Het zand en vuil dat vastzit in de schroefdraad in het ijzer, wordt zo met het indraaien van de stift verwijderd. 

Welke stiften je ook kiest, het biedt geen garantie dat er nooit iets gebeurt.  In het grote geheel zijn het natuurlijk maar kleine dingetjes. Maar wel hele handige, mits juist gebruikt.